| Onlangs is het onderzoek naar de psychische, sociale en relationele gevolgen van meisjesbesnijdenis in Nederland afgerond. Resultaten zijn geanalyseerd en verwerkt in de publicatie 'Versluierde pijn'. In oktober 2009 zijn er drie focusgroepsdiscussies gehouden met sleutelpersonen en hulpverleners uit de risicolanden. Het doel van deze discussies was om inzicht te krijgen in de meningen over de zorg voor vrouwen die een besnijdenis hebben ondergaan. Uit de focusgroepsdiscussies zijn een aantal belangrijke resultaten gekomen. Klachten zoals een depressie zijn er wel, maar worden niet erkent door de vrouwen zelf. Uit de discussies komt naar voren dat een reden hiervoor kan zijn dat het woord ‘depressie’ niet voorkomt in het Somalische woordenboek. Naar voren komt dat vrouwen uit de gemeenschappen waar meisjesbesnijdenis gepraktiseerd wordt, weinig kennis hebben over seksualiteit. Ze zien seks alleen als een manier om kinderen te krijgen.
Wanneer we kijken naar het bespreekbaar maken van de besnijdenis blijkt dat de hulpverleners uit de discussiegroepen vinden dat de huisarts de aangewezen persoon is om dit naar voren te brengen. De vrouwen schakelen bij klachten vaak als eerste de huisarts in. Maar de huisarts is of te voorzichtig hierin of te direct. “De patiënt verlangt van de dokter meer en meer vragen maar de dokter sluit zich af.” Met name onder de sleutelpersonen verschillen de meningen hierover.
Nagenoeg alle deelnemers aan de focusgroepen vinden dat niet alle hulpverleners kennis hebben over meisjesbesnijdenis. Zo weten zij bijvoorbeeld niet in welke landen meisjesbesnijdenis gepraktiseerd wordt. Het trainen van hulpverleners over wat meisjesbesnijdenis is, de bijkomende klachten en het bespreekbaar maken is dan ook belangrijk. De rol van Pharos hierin kan het faciliteren van de trainingen zijn.
Uit alle discussies komt naar voren dat sleutelpersonen een belangrijke rol kunnen spelen in de communicatie tussen vrouw en hulpverlener. Echter, doordat de sleutelpersonen bijvoorbeeld weinig kennis hebben over de psychosociale klachten van vrouwen verloopt dit niet altijd vloeiend. Sleutelpersonen moeten vooral over de psychosociale gevolgen van meisjesbesnijdenis getraind worden. Dit kan ondervangen worden door een module ‘psychosociale zorg’ aan de huidige trainingen toe te voegen.
Wat is er verder nog nodig?
Voorlichtingen voor vrouwen over klachten die gerelateerd zijn aan de besnijdenis. Dit kan zowel mondeling als schriftelijk (folders). Het ontwikkelen van een sociale kaart om doorverwijzen te vergemakkelijken. Een regionaal georganiseerd spreekuur bij bijvoorbeeld de GGD, waar vrouwen met hun vragen terecht kunnen. Een bredere aanpak van het onderwerp meisjesbesnijdenis, door dit bijvoorbeeld te integreren in een voorlichting over verschillende gezondheidsproblemen. |