Genitaal onderzoek
In de periode dat een commissie van de Raad voor de Volksgezondheid & Zorg (RVZ) onderzoek deed naar meisjesbesnijdenis, is veelvuldig gesproken over lichamelijk, genitaal onderzoek om meisjes-besnijdenis tegen te gaan.

Ayaan Hirsi Ali was er heel stellig in: ‘De rokjes omhoog, de broekjes naar beneden’. Er moest onderzocht worden of een meisje wel of niet besneden is. Dat bleek in de praktijk, zeker met de wetboek in de hand, echter niet zo eenvoudig. De consultatiebureaus en de jeugdartsen die dit onderzoek zouden moeten doen, worden vrijwillig bezocht. Ruim 95 procent van de kinderen gaat daarheen samen met de ouders.
De geluiden uit de Afrikaanse gemeenschap waren heftig: dit was discriminatie! Ouders gaven ook aan niet altijd behandeld te willen worden als ‘die mensen die hun dochter besnijden’. Een dergelijk onderzoek zou stigmatisering in de hand werken.

De RVZ-commissie kwam tot de conclusie dat de Nederlandse wet geen ruimte biedt voor een dergelijk onderzoek. Het is niet mogelijk om bij een bepaalde, afgebakende groep kinderen een specifiek onderzoek te doen voor het opsporen van iets specifieks. Alleen als het zou gaan om een gevaar voor de volks-gezondheid (bijvoorbeeld bij besmettelijke ziekten), gelden andere afspraken. Daarnaast zijn grondrechten als het eerbiedigen van de persoonlijke levenssfeer en de lichamelijke integriteit strijdig met een dergelijk onderzoek.
Een andere situatie ontstaat, als de Jeugdgezond-heidszorg besluit tot uitbreiding van haar takenpakket en alle kinderen voortaan lichamelijk, dus ook genitaal, worden onderzocht. Preventie- en opsporing van kindermishandeling kan dan bij alle kinderen plaats-vinden.
De regering heeft anders besloten: er is voor de jeugdgezondheidszorg wel een rol weggelegd in de
Print
Sluit venster