'Mijn Somalische cliënte komt uit een andere cultuur'
De omgang en communicatie met cliënten uit andere culturen gaat zorgverleners niet altijd even gemakkelijk af. Gevoelens van onzekerheid en onmacht spelen daarbij een rol. Zorgverleners hebben moeite om zich in cliënten te verplaatsen die met andere normen en waarden zijn grootgebracht.

Tijdens de jgz-basistraining Preventie meisjesbesnijdenis ‘What (not) to do’, krijgt een jgz-arts de opdracht om het onder-werp meisjesbesnijdenis bespreekbaar te maken met een Somalische traineracteur (die de rol speelt van een moeder van een meisje van 4 jaar). Tijdens het rollenspel slaat de arts volledig dicht en het consultgesprek verloopt erg moeizaam. Uit angst het contact met de moeder

helemaal kwijt te raken durft hij niet in te grijpen, als de moeder zegt dat zij en haar man van plan zijn om hun dochtertje te laten besnijden. ‘Ik kan het onderwerp niet met haar bespreken, want zij komt uit een heel andere cultuur’, aldus de jgz-arts. Deze ‘culturele achtergrondinformatie’ zorgt voor een groot dilemma. De arts worstelt met de vraag hoe hij met mensen met een andere culturele achtergrond moet omgaan.
Om de omgang en communicatie met cliënten uit andere culturen te verbeteren, is de eerste stap dat een zorgverlener zich bewust wordt van eigen onzekerheden rond zo’n onderwerp en dit ook probeert te benoemen tegenover de cliënt. Zorgverleners zijn soms te terughoudend in de omgang met cliënten uit andere culturen.
Onzekerheden komen vaak voort uit hokjes denken (dé Somaliër, dé Nederlander). Mijn kritiek op het denken en handelen in hokjes heeft te maken met de situatie waarin bepaalde denkpatronen tot absolute normen worden gemaakt. In het geval van
Print
Sluit venster