Het Kinder- en Jeugdrecht over kindermishandeling

In de Wet op de Jeugdzorg wordt in art 1 sub m kindermishandeling omschreven als: 

elke vorm van voor een minderjarige bedreigende of gewelddadige interactie van fysieke, psychische of seksuele aard, die de ouders of andere personen ten opzichte van wie de minderjarige in een relatie van afhankelijkheid of onvrijheid staat, actief of passief opdringen, waardoor ernstige schade wordt berokkend of dreigt te worden berokkend aan de minderjarige in de vorm van fysiek of psychisch letsel. 

Bureaus Jeugdzorg hebben volgens artikel 10 lid 1 sub e van deze wet de de taak om te fungeren als advies- en meldpunt kindermishandeling (AMK). In artikel 11 worden de taken van het AMK als volgt omschreven: 
doen van onderzoek naar aanleiding van een melding van (een vermoeden van) kindermishandeling; 
beoordelen van de vraag of en zo ja tot welke stappen de melding aanleiding geeft;

bezien of zorg nodig is; 
eventueel in kennis stellen van andere justitiële autoriteiten van (een vermoeden van) kindermishandeling; 
informeren van de melder over de ondernomen stappen; 
eventueel aan de melder advies geven over de stappen die de melder zelf kan ondernemen en zonodig ondersteunen daarbij.

Artikel 1: 254 lid 1 BW geeft de grond voor ondertoe-zichtstelling van minderjarigen aan. Dit kan gebeuren als een minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen. Artikel 1: 261 lid 1 regelt dat de kinderrechter in het uiterste geval een kind uit huis kan plaatsen.

Print
Sluit venster