Onderzoek naar de omvang van meisjesbesnijdenis is belangrijk om nationaal beleid te onderbouwen. Het levert gegevens op zoals over het aantal besneden vrouwen en over de hoeveelheid meisjes die het risico lopen om besneden te worden. Voor de laatste groep wordt daarbij het volgende gehanteerd: de gehele groep meisjes die één of meer ouders hebben afkomstig uit één van de landen waar vrouwelijke genitale verminking voorkomt wordt aangemerkt als risicogroep. In Nederland is geen prevalentieonderzoek uitgevoerd. Wel hebben de afgelopen jaren zowel de TNO als de RVZ een bijdrage kunnen leveren aan meer data hierover. | TNO In opdracht van het ministerie van VWS heeft TNO onderzoek gedaan naar het voorkomen van VGV in alle verloskundigenpraktijken. TNO concludeert in haar onderzoek dat 4 van de 10 zwangere vrouwen uit risicolanden die bevallen in Nederland, besneden zijn. Omdat prevalentie cijfers in Nederland ontbreken, werken wij met aantallen vrouwen en meisjes die in Nederland wonen, en uit de risicolanden afkomstig zijn. Om vervolgens in te schatten of vrouwen mogelijk een hoog dan wel laag risico lopen, kijken we ook naar de prevalentiecijfers in de landen van herkomst. Deze cijfers zijn gemiddelden en moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd, omdat er ook binnen de landen grote regionale verschillen zijn. Het is niet mogelijk om de prevalentiecijfers uit de landen van herkomst te vermenigvuldigen met de aantallen vrouwen en meisjes die in Nederland wonen. Om vele redenen is dit fout (o.a. >> |
