Aantallen meisjes die in Nederland mogelijk risico lopen

Onderzoek naar de omvang van meisjesbesnijdenis is belangrijk om nationaal beleid te onderbouwen. Het levert gegevens op zoals over het aantal besneden vrouwen en over de hoeveelheid meisjes die het risico lopen om besneden te worden. Voor de laatste groep wordt daarbij het volgende gehanteerd: de gehele groep meisjes die één of meer ouders hebben afkomstig uit één van de landen waar vrouwelijke genitale verminking voorkomt wordt aangemerkt als risicogroep. In Nederland is geen prevalentieonderzoek uitgevoerd. Wel hebben de afgelopen jaren zowel de TNO als de RVZ een bijdrage kunnen leveren aan meer data hierover. 

RVZ 
In 2005 heeft de Raad voor de Volksgezondheid een beperkt onderzoek uitgevoerd in Amsterdam en Tilburg met als doel te bepalen of, en zoja hoeveel in Nederland woonachtige meisjes besneden worden. De resultaten tonen dat het voorkomt in Nederland. De RVZ heeft aan de hand van het onderzoek een schatting gedaan dat er jaarlijks minimaal 50 meisjes besneden worden.
TNO
In opdracht van het ministerie van VWS heeft TNO onderzoek gedaan naar het voorkomen van VGV in alle verloskundigenpraktijken. TNO concludeert in haar onderzoek dat 4 van de 10 zwangere vrouwen uit risicolanden die bevallen in Nederland, besneden zijn.

Omdat prevalentie cijfers in Nederland ontbreken, werken wij met aantallen vrouwen en meisjes die in Nederland wonen, en uit de risicolanden afkomstig zijn. Om vervolgens in te schatten of vrouwen mogelijk een hoog dan wel laag risico lopen, kijken we ook naar de prevalentiecijfers in de landen van herkomst. Deze cijfers zijn gemiddelden en moeten voorzichtig worden geïnterpreteerd, omdat er ook binnen de landen grote regionale verschillen zijn.
Het is niet mogelijk om de prevalentiecijfers uit de landen van herkomst te vermenigvuldigen met de aantallen vrouwen en meisjes die in Nederland wonen. Om vele redenen is dit fout (o.a.      >>prevalentiecijfers uit landen van herkomst zijn gemiddelden; invloed van migratie)
Onderstaande tabel helpt Pharos in de prioriteitsstelling van de activiteiten, en dient dus als hulpmiddel.     

Land van Herkomst
Prevalentie in de landen van herkomst*
Aantal mannen (2009)
Aantal vrouwen** (2009)
Aantal vrouwen
0 - 20 jaar (2009)
 
 
 
 
 
Benin
17%
221
124
60
Burkina Faso
73%
263
200
103
Centraal-Afrikaanse Rep.
26%
33
33
13
Congo (Democratische Rep.)
5-13%
4.055
3.834
1.773
Djibouti
93%
75
112
54
Egypte
96%
12.321
7.655
4.081
Eritrea
89%
556
596
221
Ethiopië
74%
5.834
5.112
1.843
Gambia
78%
475
308
174
Ghana
4%
9.809
9.924
3.826
Guinee
96%
2.193
1.091
541
Guinee-Bissau
45%
193
141
49
Ivoorkust
42%
787
594
269
Jemen
23%
315
205
103
Kameroen
1%
1.201
1.207
491
Kenia
32%
1.356
1.607
654
Liberia
45%
1.813
1.250
648
Mali
92%
119
133
67
Mauritanië
72%
355
82
46
Niger
2%
267
109
52
Nigeria
19%
5.147
4.306
2.210
Senegal
28%
895
603
307
Sierra Leone
94%
4.000
2.008
913
Soedan
90%
3.998
2.400
1.133
Somalië
98%
11.753
10.045
4.398
Tanzania
15%
953
976
445
Togo
6%
1.035
619
285
Tsjaad
45%
98
57
26
Uganda
1%
750
673
200
TOTAAL
 
70.870
56.004
24.985
© Centraal Bureau voor de Statistiek, Den Haag/Heerlen 22-7-2009
*WHO, 2008
**Bij het aantal vrouwen worden alle in Nederland woonachtige vrouwen genoemd, waaronder de 0-20 jarige meisjes. De 0-20 jarige meisjes worden ook apart genoemd, maar mogen dus niet opgeteld worden bij het aantal vrouwen.

Print
Sluit venster