Waar en wie?

Volgens onderzoek van internationale VN organisaties als Unicef hebben van de huidige wereldbevolking 100-140 miljoen meisjes een besnijdenis ondergaan. Elk jaar lopen 3 miljoen meisjes het risico besneden te worden. 
Het is een eeuwenoud gebruik in 28 Afrikaanse landen, en enkele landen in het Midden Oosten en Azië. In sommige landen wordt meer dan 90% van de meisjes besneden, in andere landen is dat 10% (zie Kaart Afrika). Door migratie van de praktiserende gemeenschappen is het gebruik meegenomen naar Europa, Australië, Nieuw Zeeland en Noord-Amerika.
Meisjesbesnijdenis vindt meestal plaats op de leeftijd van 4 tot 12 jaar, maar in een aantal culturen wordt een paar dagen na de geboorte al besneden. Ook tot vlak voor het huwelijk kan meisjesbesnijdenis nog plaatsvinden. Migratie kan ook bijdragen aan besnijdenis op een andere leeftijd.
In Somalië, Djibouti en Noord-Soedan wordt veelal de meest ingrijpende vorm - infibulatie - toegepast.
Er wordt verondersteld dat de ingreep plaatsvindt

tijdens schoolvakanties, zodat de meisjes kunnen herstellen. Een besnijdenis kan georganiseerd worden voor één meisje, maar soms worden alle meisjes in een dorp tegelijk besneden.
De manier waarop het meisje besneden wordt wisselt sterk. Sommige meisjes worden in een kliniek onder verdoving besneden. Traditioneel wordt de besnijdenis uitgevoerd buiten een kliniek, zonder verdoving. De besnijder is vaak een vrouw, een niet medisch geschoold persoon. Zij vervult soms de rol van vroedvrouw, vaak is de besnijder een traditionele genezeres. De identiteit van deze vrouwen wordt vaak geheim gehouden, vanwege de toenemende illegaliteit in verschillende landen. Uit onderzoek blijkt dat de procedure vaak wordt uitgevoerd zonder verdoving, onder niet-hygienische omstandigheden, zonder goede instrumenten.
Feiten en cijfers meisjesbesnijdenis in Afrika
Feiten en cijfers meisjesbesnijdenis in Nederland

Print
Sluit venster